Zo werken Zaps
Zaps bestaan uit twee basiselementen: triggers en acties.
Triggers zijn specifieke gebeurtenissen die plaatsvinden in een app. Zapier controleert op de triggergebeurtenissen die je hebt ingesteld, en zodra deze zich voordoen, voert het de acties in je workflow uit. In DocSend kan een trigger zijn dat een bezoeker een documentlink opent.
Acties beginnen nadat een triggergebeurtenis heeft plaatsgevonden. In het DocSend-voorbeeld volgt op de trigger ‘nieuw bezoek’ bijvoorbeeld de actie ‘een rij toevoegen aan een Google Sheet’. Met andere woorden: wanneer een DocSend-bezoek plaatsvindt, voegt Zapier een rij met gegevens toe aan een opgegeven Google Sheet.
Zaps kunnen één trigger en veel acties hebben. Er zijn ook twee soorten Zap-acties:
- App-acties voegen gegevens toe of werken deze bij in een app, zoals het aanmaken van een nieuwe rij met gegevens in een spreadsheet.
- App-zoekopdrachten zoeken gegevens op die in latere acties kan worden gebruikt, zoals het vinden van een datum in een bepaalde spreadsheet.